Weduwenhofje

In de tweede helft van de 15e eeuw is er in historische bronnen al sprake van de gulheid van de Elburgers ten behoeve van arme weduwen. Een meer officieel karakter kreeg de weduwenzorg in 1549. Toen richtte priester Hendrick Albert Boltzoen een stichting op met daaraan verbonden een fonds dat geheel ten goed zou komen aan weduwen. De stichting was bestemd voor rechte arme olde vrouwen die nyet winnen noch verdienen, landt noch sandt hebbende.

Het bestuur van de stichting was in handen van twee weduwenmeesters of besjesvaders. Zij waren verantwoordelijk voor het materiële welzijn van de bewoonsters. Een archiefstuk uit de 17e eeuw laat zien dat de besjesvaders het beste met de bewoonsters voor hadden. Jaarlijks werden ingekocht een vet beest, een varken, 100 manden turf en een hoeveelheid hout voor de verwarming. Elke bewoonster kreeg bovendien per kwartaal 3¼ pond boter en per week 3 pond brood. Ook staat vermeld dat de weduwen tweemaal per jaar 6 tonnen bier kregen. Niet om zelf te houden, maar om te verdelen. Op den duur is het bier vervangen door melk.

Het hofje bestond in de beginperiode uit vijf kamers. Daarin stonden twee bedsteden. Het vertrek was voorzien van een dubbele schoorsteen.

Het Weduwenhofje zoals we dat nu kennen, dateert uit 1650. Het bestaat uit drie vleugels rond een langwerpig binnenpleintje, afgesloten door een poortje. Op het poortje is een driehoekig fronton aangebracht met een gestileerde schelpversiering. Die is bekroond door een pijnappel. Onder het fronton lezen we het opschrift: “Anno 1650 – Weduwenhof”. De voorste vleugels hebben bakstenen tuit/puntgevels met muurvlechtingen en muizentanden (een geliefd siermotief in de baksteenarchitectuur van de Renaissance) die dateren uit de 17e eeuw. In de buitengevels zien we schuiframen uit de 18e eeuw. Langs de Zuiderwalstraat een gedeelte met korfbogige nissen.

Het Weduwenhofje
Zuiderkerkstraat 3
8081 CJ Elburg