Raepenhofje

Pieter Adiaensz. Raep, gereformeerd en in dienst bij de gemeente Amsterdam, en Arend Dircksz. Bosch, doopsgezind en graanhandelaar, kochten op dezelfde dag in 1648 een stuk grond om een hofje op te bouwen.

De percelen lagen naast elkaar aan de Palmgracht, toen nog Nieuwe Braak geheten. Dat deel van de stad, aan het einde van de Brouwersgracht, was lang onbewoonbaar geweest sinds er door een doorbraak een moeras was ontstaan. Maar in 1647-1648 werd het stuk drooggelegd, werd er een gracht gegraven en bebouwing gestart. In uiterlijk verschilden de hofjes van elkaar: het Raepenhofje heeft een poortgebouw aan de gracht met daarachter, dwars erop, een vleugel. Het Bosschehofje heeft aan de gracht het uiterlijk van een gewoon 17de-eeuws woonhuis.

Een gangetje tussen beide panden leidt naar een rij huisjes achter het woonhuis. Beide hofjes, zo boven op elkaar gebouwd, zijn eeuwenlang keurig van elkaar gescheiden gebleven, eerst door een schutting en later door een heg. Ook nu nog geeft een fietsenstalling de scheiding aan en zijn de huisjes van het Bossche hofje geschilderd in licht okergeel en die van het Raepenhofje deels lichtgrijs gepleisterd. Ook de bewoonsters zijn zich altijd van het onderlinge verschil bewust geweest, zo gaat het verhaal.

Pieter Adriaensz. Raep was de enige erfgenaam van zijn vader Adriaen Pietersz. Raep, overleden in 1647, koopman en regent en onder andere eigenaar van drie huizen aan de Warmoesstraat (nu nr. 11, 13 en 15 Dam), naast de Pijlsteeg. De naam Raep is daar nog vereeuwigd in de raap in de top van de gevel van nr. 11. Pieter Raep was in 1647 al 67 jaar en ongehuwd en gebruikte het geërfde kapitaal kennelijk om een hofje te stichten.

De huuropbrengst van een van de huizen aan de Warmoesstraat was bestemd voor instandhouding van het hofje en bleef dat tot in 1829.

Een mooi gerestaureerde gevelsteen met wapen op het poortgebouw van het hofje geeft de stichtingsdatum aan, 1648, en een grappig schildje onder het ronde raam in de gevel draagt niet alleen de initialen PA maar ook de afbeelding van een raap.

De naam Raep of Raepenhofje ontbreekt. Pas in Raeps testament, opgesteld in 1659, wordt het hofje voor het eerst genoemd. Hij vermeldt er ook een aantal regels voor de bewoning van zijn hofje in: ‘om vrede ende eenicheit in ’t selve Hofje te houden (geen) andere personen dan vreedsamen weduwen sonder kinderen ofte bejaarde vrijsters’. Raep bepaalde zelfs nadrukkelijk wie er niet mochten komen wonen: ‘getrouwde luyden, wedenaers, vryers, ‘tsy jonck of out, kinderen, weduwe met kinderen noch jong vrysters’.

Raep overleed in 1666. Behalve thesaurier extraordinaris, lid van het college dat toezag op de belasting op onroerend goed, was hij ook actief geweest als luitenant en kapitein van de schutterij.

Het hofje dat Raep had laten bouwen was bescheiden van omvang en had slechts 6 huisjes, 12 éénkamerwoningen. De sekreten, buitentoiletten, zijn nog steeds aanwezig en worden nu voor opslag gebruikt. Achter het hofje verschenen later de hoge stedelijke graanpakhuizen aan de Brouwersgracht die boven het hofje uitrijzen.

Nog steeds wordt het hofje beheerd door nazaten van Raep, ‘naasten uit den bloede’, – zij het niet in de rechte lijn. Zij hebben de eeuwen door het hofje met veel zorg omringd, en niet geaarzeld zo nodig uit eigen middelen aan de instandhouding bij te dragen. Dit historisch erfgoed ligt de familie al generaties lang nauw aan het hart. Een bijzonder voorbeeld daarvan is de regentenkamer die een van de regenten in 1905 in het poortgebouw inrichtte. Deze regent, Herman Jacques Heshuysen, was adjunct-archivaris in Haarlem en een groot liefhebber van geschiedenis. Hij vond dat het hofje een regentenkamer moest hebben in de stijl van het stichtingsjaar, midden 17de eeuw. Een van de woningen in het poortgebouw op de begane grond liet hij ombouwen tot regentenkamer en hij gaf de kamer zelfs een nieuwe, deftiger, ingang in de poort.

Wie de kamer bnnentreedt heeft even het gevoel in een schilderij van Vermeer of Pieter de Hooch te staan. Voor het interieur werden oude bouwfragmenten met veel zorg bijeengezocht. Aan de binnenkant is de ingang van de kamer omlijst door een 17de-eeuws eikenhouten poortje, geheel in stijl voorzien van de wapens van de oorspronkelijke stichter en van twee regenten Heshuysen en Bruijningh. Er is een zwart-wit geblokte marmeren vloer en de witte muren hebben Delfsblauwe tegeltjes langs de plint. De zuilen pilasters van de schouw komen uit een café in Haarlem en de eikenhouten rookkap met een relief met spelende kinderen weer van een andere plek. Wat hij niet kon vinden liet Heshuysen namaken, zoals de koperen handgrepen aan de schouw. Ook het raam is nieuw, in 17de-eeuwse stijl, en werd gemaakt door de bekende glas-in-loodfabriek Schouten in Delft. Het heeft in het gebrandschilderde glas de wapens van alle families die tot dan bij het hofje betrokken waren geweest.

Heshuysen had de kamer ook ingericht met veel 17de-eeuw meubilair, nog veel meer dan er nu staat, maar die hoevelheid zorgde voor verzakkingen van de vloer en een deel ervan is dus weggehaald.

In de regentenkamer hangt een portret van stichter Pieter Raep, niet een origineel maar een kopie, gemaakt door Jan Adam Kruseman, naar het 17de-eeuwse origineel (in het Amsterdams Historisch Museum). Met zijn hand op een schedel en naast hem een zandloper laat Raep zien dat hij doordrongen is van de tijdelijkheid van het leven. Onder het portret staat een gedichtje dat nog door Vondel is gemaakt:

Pieter Raap de Tesorier
Boude uijt mededogen hier
’t Weduwen- en Wezenhof
Men gebruick’ het tot Gods lof.

Het andere portret, van regent Michiel Bruyningh, is wel origineel. Hoewel, het is een deel van een veel groter schulderij, geschilderd door J.M. Quinkhard, de overlieden van het Wijnkopersgilde voorstellend. De overlieden hadden bepaald dat als het schilderij van de oorspronkelijke plaats in het Wijnkopersgildehuis aan de Koestraat verwijderd zou worden, zij elk hun eigen portret eruit zouden mogen snijden. Aldus is geschied.

Ook voor de woonkwaliteit van het hofje hebben de regenten altijd veel aandacht gehad. Nadat in de jaren vijftig van de vorige eeuw de bedsteden waren verwijderd en toiletten en keukenblokken waren aangebracht, vond in de jaren negentig wederom een aantal renovaties plaats. Van vier woningen werden twee dubbele gemaakt en er werd een aantal douches gebouwd.

In 2000 kreeg het hofje een fietsenstalling en in 2003 werd de tuin opnieuw aangelegd. In 2004 kregen de woningen nieuwe keukentjes en werden er met veel passen en meten drie extra douches gebouwd. Het hofje wordt tegenwoordig bewoond door studerende jonge vrouwen. Voor de dagelijkse gang van zaken zijn twee opzichteressen verantwoordelijk die elk een dubbele woning bewonen, een van twee verdiepingen in het poortgebouw en een dubbele bovenwoning in de zijvleugel.

Deze tekst werd geschreven door Annemarie Vels Heijn voor het boek “de Hofjes van Amsterdam ‘Door menschlievendheid gedreven’’. Uitgegeven t.g.v. het 200-jarig bestaan van het Hofje van Brienen. (2005)

Het Raepenhofje

Palmgracht 28-36
1015 HM Amsterdam