Heilige Geest Hofje

Het Heilige Geest Hofje ligt op de hoek van de Doezastraat en het Rapenburg in het centrum van Leiden. Na de stichting in 1690 is het in 1850 verplaatst naar de huidige locatie. Verbouwingen vonden plaats in 1920 en 1926.
Bestuur: College van regenten, R.F.B. de Roy van Zuidewijn en R.A.K.G. Kwint.

De stichter Cornelis Sprongh erfde in 1670 van zijn vader het huis Assendelft. Het huis stond op de hoek van de Breestraat en de Vrouwensteeg. Een fraai huis in een deftige straat. In huis Assendelft had onder meer de bekende drukker Christoffel Plantijn gewoond.

De familie Sprongh was katholiek, rijk met aardse goederen bedeeld. Bovendien was Cornelis Sprongh gehuwd met een rijke dame.
In 1692 kocht hij voor heel veel geld de Heerlijkheid Hoogmade, waarna hij zich Cornelis Sprongh van Hoogmade mocht noemen. Die naam staat ook op de voorgevel van het hofje boven de toegangspoort.  Behalve het huis Assendelft bezat het echtpaar ook nog een buitenplaats in Voorhout. Daar woonde het in de zomer. Het huwelijk van het echtpaar Sprongh van Hoogmade werd niet met kinderen gezegend.

Mevrouw overleed op 40-jarige leeftijd en Cornelis Sprongh bleef alleen achter in het grote huis aan de Breestraat. Inmiddels had hij aan zijn bezit een huis toegevoegd dat naast het huis Assendelft stond. Een dubbel woonhuis waarvan de top van de voorgevel werd bekroond met beeldhouwwerk, voorstellende de Heilige Geest in de vorm van een duif.

In 1690 stelde Cornelis Sprongh op 48-jarige leeftijd zijn testament op. Daarin liet hij vastleggen dat het huis met de Heilige Geest een woonhuis moest worden voor zeven oude vrouwen, weduwen of ongehuwden, en ouder dan vijftig jaar. Daarnaast schonk hij een legaat aan zijn trouwe dienstbode Lysbeth Mensche. Zij mocht met haar gezin blijven wonen in een huis dat het eigendom was van de stichter. De dienstbode werd belast met het uitdelen van de preuven aan de bewoonsters van het hofje.
Haar man werd aangesteld als bidder van het hofje. Daarvoor ontvingen zij jaarlijks een vergoeding ten laste van de nalatenschap. De helft van de inkomsten ervan was bestemd voor het onderhoud van het hofje en voor de bewoonsters.
Opmerkelijk was de testamentaire beschikking dat aan de bewoonsters op de verjaardagen van het echtpaar een glas wijn werd uitgereikt.
De stichter van het hofje overleed in 1706 en kort na zijn begrafenis trokken zeven vrouwen in het hofje.

Tegen de geest van het testament werd er hoogstwaarschijnlijk niet veel onderhoud gepleegd aan het huis met de Heilige Geest, want rond 1850 was het totaal vervallen. De regenten bouwden daarom een nieuw hofje op de hoek van de Koepoortsgracht (Doezastraat) en het Rapenburg en in 1851 verhuisden de bewoonsters daar naar toe.

Rond 1875 dreigde sloop van het huis aan de Breestraat. Op die plaats werd de nieuwe sociëteit Minerva gevestigd. Door ingrijpen van de architect Professor Gugel werd de gevel van het huis, dat dateerde uit het midden van de 16e eeuw, verplaatst naar het binnenterrein van de Polytechnische School in Delft.

Het hofje aan de Doezastraat werd in 1920 en in 1926 geheel vernieuwd naar een ontwerp van de architect Van der Laan. De vensters werden voorzien van luiken en op de deuren kwamen kloppers, alles in de Oudhollandse bouwstijl.
In de poort van het hofje herinnert een stenen duif aan het huis aan de Breestraat dat Cornelis Sprongh van Hoogmade bij testament bestemde voor zeven weduwen of oude vrijsters.

Momenteel wonen er 23 vrouwen.

Heilige Geesthofje
Doezastraat (hoek Rapenburg)
2311 GX Leiden