Het Begijnhof Breda         

Aan de Bredase Catharinastraat ligt sinds 1535 het begijnhof. Het zestiende-eeuwse gebouwencomplex is bewaard gebleven en wordt nog altijd bewoond door alleenstaande vrouwen.

Begijnhoven komen sinds de dertiende eeuw vooral in de Nederlanden voor. Het is de woon- en werkplaats voor een zelfstandige gemeenschap van individuele begijnen. Een begijnhof is geen klooster en een begijn is geen zuster. Een begijn is een alleenstaande vrouw of weduwe, soms met kinderen. Een begijn legt geen “eeuwige geloften” af. Ze doet slechts de twee eenvoudige beloften dat zij een zuiver (geloofs)leven leidt en dat ze gehoorzaamt aan de – democratisch uit eigen kring gekozen – juffrouw meesteres. Een begijn is volstrekt vrij om het begijnhof weer te verlaten en legt, mede daarom, geen gelofte van armoede af. Ze behoudt haar eigen bezit, kan erven en schenken en blijft verantwoordelijk voor haar eigen levensonderhoud en -keuzes. Sommige begijnhoven, zoals die van Brugge en van Gent, ontwikkelden zich tot grote wooncentra voor wel honderden begijnen die binnen die steden een aparte plaats innamen en die door hun belangrijke economische activiteiten zelfs in concurrentie traden met de ambachtsgilden. De begijnhoven beschikten al vroeg over een infirmerie, een instelling waar onder andere zieken en bejaarden werden verzorgd. Van verschillende begijnen is bekend dat zij als (geestelijke) verzorgsters in hospitalen en leprozerieën werkten. Sommige begijnhoven beschikten in de dertiende eeuw al over een meer ontwikkeld eigen hospitaal.

De dertiende eeuw was de grootste bloeitijd van de begijnenbeweging. Er waren 94 begijnengemeenschappen in België, 37 in Nederland, 36 in Noord-Frankrijk, 54 in Duitsland en een klein aantal in Italië, Hongarije, Zwitserland, Luxemburg, Oostenrijk, Polen en Engeland. De beweging heeft tot in de 21e eeuw echter alléén in het gebied van de vroegere Nederlanden stand gehouden en met name op die plaatsen waar begijnengroepen zich in besloten begijnhoven vestigden. Maar ook in het gebied dat we nu kennen als Nederland en België kampte de begijnhoven met grote problemen. In Nederland werden ten tijde van de reformatie, op één na, alle oorspronkelijke, middeleeuwse katholieke Begijnhof-rechtspersonen opgeheven. Dit heeft ertoe geleid dat ook deze gebouwencomplexen vrijwel allemaal zijn verdwenen. Alléén in Amsterdam en in Breda zijn de begijnhoven volledig bewaard gebleven, in andere steden gedeeltelijk en in weer andere steden leeft de herinnering aan het begijnhof van weleer nog slechts voort in de aanwezigheid van een straatnaambordje. Veel Nederlandse hofjes kunnen feitelijk worden gezien als opvolgers van de begijnhoven.

In de Franse Tijd werden door keizer Napoleon alle oorspronkelijke Belgische Begijnhof-rechtspersonen opgeheven en hun goederen verbeurd verklaard. Tot op vandaag zijn deze gebouwencomplexen nog vaak eigendom van een O.C.M.W. (Sociale Dienst). In België zijn nog meer dan 20 volledige begijnhofcomplexen bewaard gebleven. Dertien hiervan verwierven in 1998 gezamenlijk een vermelding op de Werelderfgoedlijst van de Unesco.

Het Begijnhof Breda behoort tot de oudste instellingen in Nederland. Bij een charter van 22 maart 1267 gaf Hendrik, heer van Breda, aan de begijnen de grond, waarop zij toen reeds woonden, in volle eigendom en gaf hen toestemming om daar ook een eigen kapel te bouwen en een begraafplaats aan te leggen. Deze oorkonde wordt gezien als oprichtingsakte van het Bredase Begijnhof. Van dit fysieke hof zijn enkel archeologische resten bewaard gebleven. Naast dit begijnhof verrees rond 1350 de eerste burcht van Breda, sinds 1403 de residentie van de familie van Nassau.

Hendrik III van Nassau wilde dat kasteel in 1527 verbouwen tot het eerste grote renaissance paleis in de Nederlanden. Het begijnhof lag hiervoor echter in de weg. In 1531 ondertekende hij een overeenkomst met de begijnen over de verplaatsing van hun hof naar de huidige locatie aan de Catharinastraat. In deze overeenkomst stelde hij de Bredase begijnengemeenschap tevens onder blijvende bescherming van zijn familie. Dit is de belangrijkste reden waarom de rechtspersoon “Begijnhof Breda” tot op de huidige dag is blijven voortbestaan.

In de negentiende eeuw werd het hof nog uitgebreid met woningen, een zaal en een kerk. Het was de laatste bloeiperiode van het begijnhof. Sinds het einde van de negentiende eeuw liep de bezetting van de woningen van het hof door begijnen langzaam maar zeker terug. Begin twintigste eeuw werd besloten de leegstaande woningen voortaan te verhuren aan alleenstaande vrouwen.

In 1965 benoemde de laatste hofmeesteres het college van momboirs (voogden) rechtsgeldig in het bestuur van deze instelling. Voor het eerst sinds de oprichting van het Begijnhof in 1267 ging de bestuursvorm over van een zelfbestuur door begijnen naar een bestuur van mannen die in de eeuwen daarvoor de hofmeesteres als momboir hadden bijgestaan. Het begijnhof is sindsdien volledig gerestaureerd en waar mogelijk aangepast aan de wensen van de tijd. De laatste Begijnhofmeesteres, juffrouw Holtzer overleed in 1972. De laatste begijn, juffrouw Frijters in 1990.

De laatste traditionele begijn ter wereld, juffrouw Marcella Pattyn, overleed in 2013 in Kortrijk. In Duitsland blijkt de beweging echter te herleven. Sinds 2004 hebben meer dan 500 vrouwen opnieuw gekozen voor een leven als begijn. Voor hen zijn sindsdien 13 nieuwe begijnhoven gebouwd. Initiatieven tot heroprichting van de begijnenbeweging worden momenteel ook genomen in België, Frankrijk en Italië.

In Breda treft u het enige begijnhof in Europa waarvan de oorspronkelijke middeleeuwse rechtspersoon nog bestaat. Deze instelling heeft vanaf 22 maart 1267 zonder onderbreking een bestuur en een vermogen gehad. In 2017 wordt het 750-jarig bestaan van deze instelling met tal van activiteiten gevierd. In het kader van dit jubileum verschijnt ook een serie van vijf boeken over dit begijnhof.

Het Bredase begijnhof is dagelijks geopend voor bezoek. Rondom het zestiende-eeuwse hoofdplein, het “grote hof”, treft u 20 woningen en een kerk met voormalige pastorie. Aan de zuidzijde van dit hof is de vijftiende-eeuwse Wendelinuskapel gelegen. Over deze kapel kregen de begijnen beschikking na de verplaatsing van hun hof in 1535, maar zij moesten deze vanaf 1590 weer afstaan aan de (protestantse) Waalse Gemeente. De begijnen maakten – onder bescherming van de Nassau’s – ruim twee eeuwen gebruik van een huiskerk in de zuidvleugel van het hof. De kerk en pastorie aan de noordzijde van het hof werden in de negentiende eeuw gebouwd.

Het eveneens negentiende-eeuwse “kleine hof”, aan de noordoostzijde van het complex, omvat 9 woningen en een zalengebouwtje.

Eén woning van het Begijnhof is buiten de poort gevestigd in de Catharinastraat 85.

Op de binnenplaats van het “grote hof” heeft de gemeente Breda een prachtige kruidentuin aangelegd. Bij de 300 verschillende soorten kruiden zijn naambordjes geplaatst. In één van de woningen is een Begijnhofmuseum gevestigd en in het poortgebouw aan de Catharinastraat kunt u een collectie miniaturen bekijken. Het interieur van de negentiende-eeuwse Catharinakerk is regelmatig te bezichtigen. De wekelijkse kerkdienst is op zaterdagmiddag om 17.00 uur. Voor meer informatie kunt u een bezoek brengen aan de website: www.begijnhofbreda.nl